QH
R
e
ï
n
c
a
r
n
a
t
i
e
n
u
m
m
e
r
QH

Een ladder tot de hemel

Een man was niet tevreden met zijn leven. Zijn sloof van een vrouw verveelde hem en hij had een hekel aan zijn bemoeizuchtige familieleden. Zwaarmoedig stond hij voor het raam en keek naar de lelijke huizen van het plein waaraan hij woonde en waar, hoewel het koud en guur was, de buurkinderen schreeuwend rondrenden. Zijn buren kwamen langs, maar hij groette niet terug. Zelfs van hieruit kon hij het uitlaatgas van hun auto ruiken, evenals de stank van de fabriek waar hij al jaren zijn brood moest verdienen. Het leven op aarde stelde weinig voor, stelde hij vast, en op een leven na de dood kon je alleen maar hopen. Hoewel. . . .

Hij trok zijn jas aan, zei tegen zijn vrouw dat hij een boodschap moest doen, en trok de deur achter zich dicht. Maar in plaats van naar het winkelcentrum te gaan, sloeg hij de richting in van een glazenwasser die hij kende. Die glazenwasser beweerde altijd in het café, dat hij een ladder had die zó lang was dat, als hij hem helemaal uitschoof, hij bij de hoogste ramen kon komen om die te lappen, zelfs bij die van de wolkenkrabbers in Amerika als hij er gewoond had.
"Zou ik je ladder niet een voor één keer mogen lenen?" vroeg hij de glazenwasser toen deze hem binnen gelaten had.
"Waarom?"
"Om eens te kijken hoe het in de hemel is." De glazenwasser lachte. "Mij best, als je hem maar weer terug brengt." Dat beloofde de man en hij nam de ladder mee.

Bij de toren bleef hij staan, zette de ladder ertegen en klom erop. Dat was hoog, maar nog lang niet zo hoog als de hemel.
Er kwam juist een luchtballon aan en hij vroeg of hij erin mocht. Toen dat goed was, schoof hij zijn ladder uit en klom in de ballon. Met de ballon dreef hij omhoog. Dat was hoog, maar de hemel was hoger. Ze kwamen langs een hoge berg en de man vroeg of hij eruit kon. Dat ging. Hij schoof zijn ladder zo ver mogelijk uit en kwam bovenop de berg terecht. Het was daar zo hoog dat het hem duizelde, maar zo hoog als de hemel was het nog niet.
Boven hem vloog een arend. Hij vroeg of hij erbij mocht komen en toen dat in orde was, nam hij zijn ladder en klom op de rug van de arend. Hij was nu hoger dat haast elk ander mens gekomen was, maar in de hemel was hij nog niet. Hij vroeg de arend naar de hoogste wolk te vliegen die hij kende. De arend deed dat en hij schoof zijn ladder weer zo ver mogelijk uit om op de wolk te komen. Hij was nu duizelingwekkend hoog. Niemand, dacht hij, is ooit zo hoog gekomen, al ben ik dan nog steeds niet in de hemel. Hij keek in het rond en ja hoor, daar hoog boven hem zag hij de hemel. Met de grootst mogelijke moeite wist hij erin te komen.

In de hemel was iedereen gelukkig, alleen hij niet. Het was duidelijk dat zij hier in andere sferen vertoefden. Als enige levende tussen de doden verveelde hij zich welhaast een ongeluk. Met zijn ladder op zijn rug liep hij mistroostig rond.
Wel had hij zo vanaf deze eindeloze hoogte een geweldig uitzicht op de aarde. De hele wereld kon hij zo zien. Hij keek of hij zijn eigen stad kon zien en zijn eigen wijk met zijn eigen huis. En ja hoor, vanuit de hemel was het allemaal makkelijk te zien. Hij zag de fabriek uitgaan, waar hij al jarenlang tot tevredenheid van iedereen gewerkt had en hij zag hoe zijn collega's in het buurtcafé nog wat gingen drinken. Hij zag het pleintje waaraan hij woonde, met de vrolijk spelende kinderen. Hij zag zijn huis, waar zijn vrouw in de juist doorbrekende zon de was ophing en naar de buren zwaaide. Ja, hij zag zelfs hoe in de keuken de koffie pruttelde. En hij werd overmand door een verschrikkelijk heimwee en een vreselijk berouw.

Hij pakte de ladder en zette deze tegen de wolk aan. Toen liet hij zich voorzichtig langs de treden naar beneden zakken. Op de wolk bleef hij een hele tijd wachten tot hij de arend zag. Bovenop de arend liet hij zich meevoeren tot aan de berg. Hij klom de ladder af tot hij op de berg was en keek rond of hij de luchtballon zag. Het duurde ontzettend lang voordat de ballon weer langs kwam, maar met behulp van zijn ladder kwam hij er weer in. Boven de toren nam hij afscheid, zakte langs de ladder tot op de toren en klauterde vervolgens naar zijn vertrouwde grond.
Wat was hij blij weer thuis te zijn! Hij kuste zijn verraste vrouw hartstochtelijk en riep de kinderen binnen om aan tafel te gaan. 's Avonds bij de televisie dronk hij tevreden zijn bakje koffie. Hij bedacht dat als hij eerder geweten had dat hij zo gelukkig was, hij nooit naar de hemel had hoeven gaan.

De andere dag bracht de man de lange ladder terug bij de glazenwasser. "En hoe was het in de hemel?"
"Ach," zei de man, "als ik jou was, bleef ik nog maar wat beneden!" En beiden begonnen te lachen.

Hans Kilian

index