QH
S
e
n
i
o
r
e
n
n
u
m
m
e
r
QH

Anekdoten

en andere tragische voorvallen uit mijn leven.
memoires van Sarit Sagara

Ik lijd aan de tijd, of liever, ik lijd aan het voorbijgaan van de tijd. Nog preciezer: ik lijd aan de snelheid van het voorbijgaan van de tijd. Ik lijd aan de tijd. Misschien is dat normaal. Misschien is het een kwaal van de jeugd? Ik ben nog jong, het zou kunnen. Ik ben niet oud, maar is het normaal om op je 24ste je memoires te gaan schrijven, om de tijd tegen te houden? Ik weet niet veel, maar wat ik weet, wat ik was, ik wil het vastleggen, de tijd bevriezen in letters. Méér dan letters. Ik wil teruggaan in de tijd en weer zien wie ik was. Ik wil mezelf weer worden. Ik wil weten wie ik ben en daarvoor moet ik worden wie ik was. Ik ben niet oud.

Mijn leven voltrekt zich volgens uitspraken die anderen mij deden, al was dat in het verleden, nog voor de gebeurtenissen waarover zij profeteerden zich voordeden. Het zijn er twee.
De eerste: "Je moet alles zelf doen in het leven, een leuk huis, een leuke baan, een leuke vriend.... je moet het zelf doen." Ik was zestien en de persoon die deze wijze woorden tot mij sprak zal een jaar of zeven-achtentwintig geweest zijn en had waarschijnlijk bij lange na geen idee van de volstrekte en verregaande wijsheid die deze woorden voor mij verborgen.
De tweede uitspraak is afkomstig van een ex-vriend (die ik zèlf had opgeduikeld en ook zelf weer trachtte te doen verdwijnen) die mij vroeg of ik al een nieuwe vriend had. Op mijn ontkennend antwoord zei hij: "Gelukkig maar, ze zouden je toch maar teleurstellen!" Over de onderliggende megalomane suggesties van dit antwoord wil ik het verder niet hebben, maar tot nu toe heeft nog niemand mij gelukkig kunnen maken. Natuurlijk niet! Dat moet je ook zelf doen, zie uitspraak 1! Je moet het allemaal zelf doen, dat is de hele ellende. En dat, terwijl het allemaal zo leuk en rooskleurig begon.

Hoofdstuk 1: Hoe het begon

Ik ben geboren in Benares. Zo begon het. Benares is een heilige stad in India, waar zeker drie grote godsdiensten samenkomen en daar kwamen ook mijn ouders samen, leefden in vrede naast elkaar en brachten en passant mij ter wereld. Feitelijk herinner ik mij niets meer van Benares, ik was twee toen ik verdween. Maar de stad staat in mijn geheugen gebrand, een plaatje dat de waarschijnlijke werkelijkheid wel ver zal overtreffen. Het deert niet. Ik zal niet teleurgesteld zijn bij mijn terugkeer in Benares. Ik zal mij baden in de rivier en gelukkig zijn met de stad zoals zij is, deze stad, waar ik mij verwant mee voel, deze stad, die zoveel in zich verenigt en op een dag ook mij in zich op zal nemen. Op mijn tweede moesten wij de stad verlaten, al wist ik toen niet waarom, en nog steeds niet. Ik geloof dat mijn moeders familie haar terugriep. Maar misschien ook niet. Tijdens de reis naar Nederland verdween mijn vader, al weet ik niet waarom. Misschien riep mijn moeders familie hèm niet terug. Het kan ook iets anders geweest zijn. Maar naar Benares zal ik terugkeren en er mijn vader vinden.

Eenmaal in Nederland aangekomen werden wij gestationeerd in het stadje H. Eigenlijk is H. een dorpje, en dan nog een van de ranzige soort, maar het is beter dit niet tegen een H.enaar te zeggen. Althans, als je een ongeschonden gelaat op prijs stelt. Wij werden niet in H. gestationeerd omdat dit een bepaalde opvoedkundige of esthetische waarde zou hebben. Wij werden daar gestationeerd omdat mijn moeders tantes (de tot leven gekomen drie spreekwoordelijke oude tangen) daar een groot herenhuis bezaten, waar nog wel een paar plekjes vrij waren, wat de tantes ondertussen de kans gaf om hun autoritaire driften niet langer op elkander, maar op ons uit te leven. Mijn broertje Norbert had tegen die tijd inmiddels ook het levenslicht aanschouwd, dus ze konden hun lol op.
Ik heb vele ledige uren doorgebracht met het trachten te doorgronden van deze tantes, die door een grote ironie van het lot gezegend waren met de namen Ien, Pien en Mien. Ik heb het vermoeden dat zij een groot geheim bewaarden, maar wat het was? En terwijl andere mensen dan zouden proberen om dat te verbergen, zich als vrolijk en onbekommerd levend zouden voordoen, daar waren de tantes de lijfelijke uitdrukking van de gedachte dat het leven een last is en het hiernamaals geen troost biedt omdat dat domweg niet bestaat. Zij lachten ook nooit. Het was alsof zij het leven hadden doorzien en het hadden betrapt op een totale afwezigheid van Hogere Waarheid, Plan, Symboliek, Schoonheid. Zij schenen te weten dat het leven niet om te lachen is, dat het leven hooguit om jou lacht. Dus torsten zij hun geheim met gepijnigde uitdrukkingen op de gezichten en hielden zich stil.
Dat laatste moet uiteraard puur figuurlijk gelezen worden, want zij lieten geen moment onbenut om ons jeugdigeren deze levensfilosofie op te dringen, een filosofie die kwalijke gevolgen kan hebben op jonge idealisten zoals ik. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat dat idealisme een gevolg is van het gebrek aan idealisme aan de overkant, de tantes. Maar de eerste decennia van mijn leven verzweeg ik mijn idealisme voor de tantes, uit levensbehoud. Je moest nu eenmaal in hun wereldbeeld passen. Je paste of je bestond niet. In het geval van familie, die nu immers bestond, ongeacht of ze voldeden aan eender welk wereldbeeld, was het zaak om deze familieleden te dwingen aan het beeld te voldoen, desnoods hardhandig. Daarvoor hadden de tantes nogal wat stokken achter de deur staan en ik weet dus niet beter dan dat mijn moeder, Norbert en ik hun spelletje meespeelden en ons leven leefden met naar beneden getrokken mondhoeken en een uitgedoofde blik in onze ogen. Vooral Norbert, zo klein als hij was, wist dit spel uitstekend mee te spelen. Zittend in zijn kinderstoel, met een chagrijnige blik, hoorden wij nooit een kraai van vreugde, of een ander voor een baby zo kenmerkend geluid, dan het ommeppen van het bakje met voedsel. Het duurde niet lang of hij was de lieveling van de tantes, terwijl ik mijn positie als second-best met moeite kon behouden door stilletjes door het huis te sluipen en me verder niet te vertonen als het geen etenstijd was.
Maar, mijn moeder en ik hadden een geheim bondgenootschap opgericht, om te overleven, al hebben we er lange tijd niet met elkaar over gesproken. En ook Norbert sloot zich na niet al te lange tijd aan bij ons, al zal hij dat toen, net als ik, niet bewust geweten hebben. Wij maakten er een kunst van om onze gezichten in de door de tantes gewenste plooi te houden terwijl wij ondertussen ons innerlijk leven tot elke desgewenste hoogte konden opvoeren. Wij bedachten alle mogelijke tactieken om toch te doen wat wij wilden doen, zonder de tantes het te laten merken. Iets in de trant van ja zeggen en nee doen, wij waren er sterren in. Zo werd de harmonie in huis bewaard, zonder dat dat ook maar enigszins ten koste ging van onze persoonlijkheden. Voorlopig pleegden we nog geen openlijke verzetsdaden, we hadden onbewust afgesproken dat ik, als oudste kind, pas ging rebelleren als ik in de daartoe geëigende fase, de puberteit, was aanbeland, waarbij ik rugdekking zou krijgen van mijn moeder. Tot het zover was creëerden we ons eigen veilige leefwereldje, waar je je op ieder gewenst moment (en dat waren er vele) in kon terugtrekken. We werden dromers.

Sarit Sagara

index